Erfelijke Aandoeningen
 
Is het erfelijk?

Of een aandoening al of niet erfelijk is kan worden opgemaakt uit een aantal karakteristieke kenmerken die typerend zijn voor een genetische predispositie:


1. Het eerste wat opvalt dat er mogelijke sprake is van een erfelijke aandoening is het feit dat de aandoening meer frequent voorkomt binnen groepen van hoog verwante dieren (familiair voorkomen).

2. De aandoening binnen hoog verwante dieren betreft als deze erfelijk is meestal steeds dezelfde anatomische structuur (bijvoorbeeld telkens een aandoening van het hart, of juist steeds van het oog).

3. Vervolgens valt op dat de frequentie van de aandoening stijgt als de mate van inteelt stijgt.

4. Tot slot valt bij erfelijke aandoeningen op dat de symptomen veelal reeds op jonge leeftijd zichtbaar (early-onset) zijn. (Die erfelijke aandoeningen, waarbij symptomen pas op latere leeftijd zichtbaar worden (late-onset) hebben vaak een vaste leeftijd waarop de (eerste) symptomen zich openbaren.)

Middels genetisch-epidemiologisch onderzoek en/of moleculair genetisch onderzoek kan de erfelijkheid van de aandoening worden aangetoond.

In het rapport ‘Fokken met recreatiedieren’ van het Forum Welzijn Gezelschapsdieren binnen de Raad voor Dieraangelegenheden is per diersoort een groslijst samengesteld van schadelijke erfelijke kenmerken.

Daarbij is aan elke schadelijk erfelijk kenmerk een (weeg)score gehangen gezien de ernst van de welzijn- gezondheids- en integriteitsaantasting voor lijders aan deze erfelijke ziekten.


Gezien de ernst van veel schadelijke erfelijke aandoening dient er alles aan gedaan te worden om te voorkomen dat de oorzakelijke genen zich verder in de populatie verspreiden. Immers, hoe vaker de potentiële ziekte-genen in de populatie voorkomen, hoe groter de kans dat bij een reu/teef-combinatie beide dieren deze potentiële ziekte-genen bij zich dragen.  De (re)combinatie van deze genen leidt in het nageslacht tot lijders aan deze ziekte. Bij voorkeur dient er dus niet gefokt te worden met honden die lijden aan deze pijnlijke oogaandoening, aangezien deze in hoge mate bijdragen aan de verdere verspreiding van de genen die leiden tot de genetische aanleg voor distichiasis in de volgende generatie(s).

Voor een aantal (mono)genetische kenmerken is inmiddels de locatie bekend van het verantwoordelijke gen en is tevens een diagnostische test beschikbaar. Hierdoor kan voor dat een hond voor de fok wordt ingezet (preventief) dna-onderzoek plaatsvinden om na te gaan of de hond dit gen al of niet bij zich draagt en dus zal door kunnen geven aan zijn of haar nageslacht.

U vindt hier een overzicht van de in Nederland beschikbare dna-testen. 

 

 

is een initiatief van de Raad van Beheer