De meeste rashondenliefhebbers in Nederland genieten van hun trouwe viervoeter zonder daarbij de wens te koesteren om ooit een nestje te gaan fokken. In tegendeel, slechts 5 tot 10% van alle rashonden wordt ingezet voor de fok. Dit kleine aantal honden vormt dus uiteindelijk de genetische basis voor de volgende generatie rashonden in Nederland.
Welke goede en slechte erfelijke eigenschappen een rashond vanaf de geboorte meekrijgt, hangt voor 50% af van zijn vader en voor 50% van zijn moeder en dus voor 100% van de keuze van een fokker voor de moeder en vaderhond. Naast het fokbeleid van de rasvereniging, heeft elke fokker een aantal voor hem/haar persoonlijk belangrijke criteria op basis waarvan hij/zij (binnen de rasstandaard) tot een keuze voor een bepaalde teef/reu-combinatie komt.
De kennis met betrekking tot de (honden)fokkerij en genetica is in de laatste decennia echter enorm toegenomen. Hierdoor heeft een hondenfokker steeds meer informatie tot zijn beschikking op basis waarvan hij een beide ouderdieren moet selecteren. Daarbij neemt de informatie omtrent (schadelijke) erfelijke aandoeningen een prominente plaats in.
Dit heeft reeds geleid tot aanpassing van het fokbeleid, maar zal, samen met de nieuwe wetenschappelijke inzichten, de komende tijd om aapassing blijven vragen.
De Fokinformatie uit Dogbase is in dit stadium enkel nog een aanvullend hulpmiddel om in te schatten in hoeverre een reu of teef genen door kunnen geven die leiden tot bepaalde erfelijke aandoeningen bij de nakomelingen.
Mogelijk dat in de toekomst binnen Dogbase ook fokinformatie mbt uitslagen van karaktertesten, jachttraining etc. betrokken kunnen worden.





