De term inteelt beschrijft elke vorm van het paren van individuen die nauwer verwant zijn dan de gemiddelde verwantschap tussen de dieren van de populatie.
Binnen elke vorm van dierfokkerij speelt deze inteelt problematiek een rol. De recentelijk aandacht voor klinische en moleculaire genetica hebben de gevolgen van deze inteelt inmiddels inzichtelijk gemaakt. Hierdoor weten we nu dat de selectie op basis van uiterlijke kenmerken of karaktereigenschappen, onbedoeld tot de selectie van genen kan leiden die bijdragen aan erfelijke ziekten. Veel van de gezondheidsproblemen waarmee de huidige fokker worstelt, zijn dus het gevolg van verkeerde keuzes uit het verleden. Omdat bij een hondenliefhebber natuurlijk het welzijn en de gezondheid van zijn honden voorop staat, probeert de moderne fokker op basis van deze nieuwe kennis middels zorgvuldige selectie van fokdieren deze genen weer uit de populatie te fokken.
Inteelt hangt af van de effectieve populatie grootte. Het aantal gebruikte dekreuen binnen de populatie en de verhouding tussen het aantal nesten per dekreu zijn indirecte parameters voor de inteelt-niveau van de populatie. Een hoog aantal nesten per dekreu geeft een hoog risico op de toename van de inteelt.
Om de mate van inteelt in een individu dan wel een in nakomelingen uit een bepaalde kruising te voor spellen is de coëfficiënt of inbreeding (COI) een effectief hulp middel. Hoe hoger de COI hoe groter de kans op inteelt depressie.
Om inteelt depressie te voorkomen, de variatie in stand te houden, te voorkomen dat bepaalde allelen verloren gaan in en te voorkomen dat bepaalde allelen fixeren in een populatie, moet de mate waarin inteelt in de populatie stijgt van generatie op generatie zo laag mogelijk blijven. De belangrijkste factoren van invloed op de snelheid waarmee inteelt toeneemt in een populatie is een klein aantal fokdieren en een onevenredige bijdrage van individuele dieren aan de volgende generatie. Verschilt het aantal mannetjes van het aantal vrouwtjes in het aantal fokdieren dan hebben de mannetjes meer invloed en stijgt de inteelt sneller. Verschilt het aantal nakomelingen tussen de mannetjes dan is de invloed van het meest gebruikte mannetje veel gorter dan de andere mannetjes en ook hierdoor stijgt de inteelt nog sneller in de populatie.
Wil men de variatie in een populatie behouden, er voor zorgen dat allelen niet verloren, er voor zorgen dat allelen niet te snel fixeren en inteelt depressie voorkomen dan moeten maatregelen zich richten op het in stand houden van een grote effectieve populatie Ne, waarbij de bijdrage mannetjes en vrouwtjes gelijk is en waarin voorkomen wordt dat bepaalde dieren overmatig worden ingezet.
Daarnaast geld wil men inteelt depressie in specifieke kruisingen voorkomen dan moet de COI van de hypothetische nakomelingen zo laag mogelijk zijn. (Hoe laag laag is valt niet vast te stellen).
Binnen de conservatie biologie heeft men vast gesteld dat een gezonde populatie minimaal ui 500- 1000 dieren moet bestaan. Hierin dragen alle dieren, mannetjes en vrouwtjes in gelijke mate bij aan de volgende generatie. Dit aantal is nodig om de inteelt met niet meer dan 1% per generatie toe te laten nemen (∆F>0,01). Als echter vrouwtjes en mannetjes ongelijk aan elkaar worden ingezet en er populaire reuen zijn dan moet dit het aantal fokdieren veel groter zijn om te zorgen dat de inteelt met niet meer dan 1% toeneemt





